Voskonijn

Het Voskonijn

Afwijkende haarstructuren

Geschreven door J Roobol

 

Het ras is oorspronkelijk ontstaan uit een kruising van een Angora konijn met een normaalharige Havana bij de fokker Müller, woonachtig in Zuch, Zwitserland. Deze deed in 1920 een poging om te voldoen aan de vraag van de bontwerkers naar een bontsoort die een imitatie zou kunnen zijn van het bont van de vos. Men moest doorvoor een pels hebben waarvan het haar langer was dan van de bekende normaalharige konijnenrassen. Men is er echter nooit in geslaagd de kwaliteit van de vossenpels te evenaren. Het bleef dunner en fijner dan gewenst. Het ras kon in nutwaarde niet wedijveren met de andere pelsrassen. Door zijn abnormaliteit was het Schweizer Fuchskaninchen, het Zwitserse voskonijn, in trek bij die sportfokkers welke graag iets bijzonders in hun stallen hebben en in 1925 werd het als tentoonstellingsras in Zwitserland erkend. Het had ten opzichte van de Angora konijn het grote voordeel dat door de steviger structuur van de dekharen, de pels niet zo spoedig in de klit raakte en daardoor een minder intensieve verzorging eiste. In Duitsland was het de fokker Leifer te Leipzig, die de combinatiekruising tot stand bracht tussen angora en normaalhaar. Op de tentoonstelling van 1932 in zijn woonplaats exposeerde hij de nieuwe creatie Blauwvossen. Deze dieren bereikten niet de kwaliteit van de Zwitserse bruine Voskonijnen. De Duitse fokkers hadden veel belangstelling voor de betere dieren uit het land der bergen en de eertijds bekende Duitse fokker F. Joppich kocht tijdens een reis door Zwitserland overal Voskonijnen op om de kwaliteit in de heimat op te voeren. Het is bekend dat hij met 200 dieren huiswaarts keerde. Het mocht niet baten, want de bonthandel had geen belangstelling en ook in Duitsland werd het Voskonijn een tentoonstellingsras. Natuurlijk verschenen er artikelen te over in de pers en in 1932 plaatste men een verslag van de Engelse tentoonstelling te Bradfort in het Nederlands blad De konijnenfokker waarin Mej. F.C. v.d. Bosch gewag maakte van de Chifox, een Voskonijn met Chinchillakleur. Zij schreef: Ik geloof dat de Chifox een aanwinst onder onze erkende konijnenrassen zou betekenen. Op het eerste gezicht doet het dier verdacht veel aan een slechte Angora denken, missende evenwel de dichte onderwol van dit ras. Met heeft reeds Chifox in verschillende kleuren, o.a. wit, chinchilla, beige, enz.

Het rapport werd verlevendigd met een duidelijke foto. Niettegenstaande de sombere berichten van de verslaggeefster zond de enthousiaste Friedrich Joppich, de promotor van de Zwitserse Voskonijnen in Duitsland het volgende seizoen een aantal dieren  van het nieuwe ras in op de Avicultura te ’s-Gravenhage. Ze werden daar gekeurd door F.C. Scheadtler en deze berichte later:

Als fokdoel geeft de Zwitserse standaard aan een gelijkmatige, verzadigde krachtige en dichte beharing met overstekende grannen. De haarlengte bedraagt niet meer dan 6 cm en niet minder dan 4 cm. De dekkleur is egaal en verzadigd. De onderkleur bestaat uit een laaiende grondkleur en tussenkleur. Licht doorschemeren van de onderkleur door de dekkleur heen veroorzaakt een speciaal effect.

Met verwachte blijkbaar wel wat van het nieuwe sportras en het langharig Voskonijn werd in Nederlande standaard van 1933 opgenomen. Wat de kleurslagen betreft werd, mogelijk ondoordacht de Duitse standaard terminologie overgenomen want de beschrijving van de Blauwvos behelsde dat de dekkleur glanzend donker bruin moest zijn, gelijk die van bittere chocolade; de grondkleur zuiver blauw aan de wortel der haren. Kennelijk was dit de beschrijving voor de Zilvervos erkend. Dat kon de verwarring geven met het ras Zilvervos want bedoeld werd "verzilverd” overeenkomstig de Zilverkonijnen. Bij de variëteit waren alle erkende nuances van het zwarte Zilverkonijn inbegrepen. De Chinchillavos diende vrijwel gekleurd te zijn als de Groot en Klein Chinchilla’s, al kon aan het beeld der rozet door de langharigheid en daarmede gespaard gaande andere verdeling der pigmentkorrels, niet hetzelfde hoge eisen gesteld worden als bij het normaalharige zusterras. Verwijzend naar andere rassen werden ook de kleuren zwart, blauw, wit en geel erkend.

 

De voorspelling van Mej. v.d. Bosch bleken bewaarheid te worden en meden door de oorlogsomstandigheden van de periode 1940-1945 was het ras en zijn standaard in Nederland spoedig van de baan.

In het buitenland was dit echter niet het geval en in het Zwitserse blad Die Tierwelt in 1956 valt te lezen dat er in Nlowil een clubtentoonstelling is gehouden met 66 Voskonijnen waarvan 7 bruine en 59 witte. Ons blad "de Konijnenfokker” 1964 vermelde dat landgenoot Schaedlter 5 witte Voskonijnen te beoordelen had gekregen op de 101e Salon International L’Aviculture te Parijs en in hetzelfde blad stond in 1970 een foto van een bruine Vos, genomen op de show te Stuttgart.

 

Op de bondtentoonstelling 1973 van de NKB te ’s Hertogenbosch werd een zestal Voskonijnen ingezonden door de voorzitter van de Voskonijnenclub in Duitsland, Hans Leinenweber. En deze dieren kwamen in handen van drie Nederlandse dames, waaronder naar ik meen Mevr. Schmalz-Vader uit Schrool. Daarmede was de stap tot terugkeer van het ras gezet en regelmatig verscheen het Voskonijn weer op de Nederlandse tentoonstellingen, zij het dat ze slechts gekeurd en bekroond mochten worden als een in het buitenland erkend ras, volgens de standaard van het land van oorsprong.

Meerdere fokkers voelden zich tot het ras aangetrokken en evenals Friedrich Joppich trokken Nederlandse sportfokkers naar Zwitserland om goede dieren in ons land te importeren. Het ras bleek een aanwinst te zijn voor ons rijke assortiment aan konijnenrassen en de Nederlandse standaardcommissie erkend het opnieuw sinds 1 oktober 1975.